top of page

‘De uitdagingen voor de architect zijn groter bij conceptuele bouw dan bij traditionele bouw’

margreet5
11 minuten geleden
4 minuten om te lezen

Vijf over één

In de rubriek Vijf over één  reageren vijf gewaardeerde professionals uit de architectenbranche op één stelling: Zijn de uitdagingen voor de architect groter bij conceptuele bouw dan bij traditionele bouw?


Van Rijksbouwmeester tot stedenbouwkundigen en architecten, de stelling maakt de tongen los.



Jeroen de Willigen

Voorzitter BNA, stedenbouwkundige bij De Zwarte Hond


De uitdagingen bij conceptueel bouwen zijn vooral ook kansrijk. Veel bouwsystemen zijn nog niet flexibel genoeg en het kost soms wat overtuigingskracht om de kwaliteit op het gewenste niveau te krijgen. Maar juist daarin ligt een mooie rol voor de architect. Wij zijn er niet om een mooie jas over een standaard paspop te trekken. Wij zijn er om samen oplossingen te bedenken die écht werken.


Dat begint met samenwerking. Conceptaanbieders beseffen gelukkig dat ze ons vroeg in het proces nodig hebben. We kunnen dan meedenken over wat wél kan, en wat beter past. Het gaat erom het juiste concept te koppelen aan het verhaal van de plek. En ja, dat betekent soms tegen de stroom in adviseren.


Wij geloven in industriële bouwmethodes. Maar standaardisatie is iets anders dan industrialisatie. Met robotisering en digitalisering zijn er steeds meer mogelijkheden – als je maar weet hoe het systeem werkt. Laat ons meedenken, sleutelen, morrelen. Niet als kostenpost, maar als partner. Want dáár begint goed bouwen. Dat deden we vroeger ook al en dat is hoe het nog steeds het beste werkt!


Anoul Bouwman

Architect bij Bouwman Swinkels Architecten


Conceptueel bouwen biedt aanzienlijke voordelen door herhaalbare oplossingen en projectoverstijgend ontwerp. Dit verhoogt de efficiëntie en creëert ruimte voor innovatie. Investeringen in ontwerp en ontwikkeling strekken zich uit over meerdere projecten. De positie van de architect verandert hierin. Waar we traditioneel een centrale rol hebben in het ontwerpproces – met de initiatiefnemer als opdrachtgever – komen we bij conceptueel bouwen pas in beeld als opdrachtnemer van de aanbieder van een bouwconcept.


Dit vraagt om een andere invulling van onze rol: minder leidend in het begin, maar met kans op langdurige samenwerking en invloed op meerdere projecten.

De fragmentatie van de rol van de architect tijdens het hele planvormingsproces is een zorg. De beperkte betrokkenheid heeft in veel gevallen geleid tot gebrekkige ruimtelijke kwaliteit. Toch biedt dit ook kansen: vanuit een actieve rol kunnen architecten conceptueel ontwikkelen en bouwen verbeteren. Veel woningconcepten zijn nu vooral gericht op kosten en techniek, met te weinig oog voor architectonische kwaliteit.


Het begrip ‘woningconcept’ wordt verschillend geïnterpreteerd. Het komen tot een gemeenschappelijk referentiekader is één van de uitdagingen in de samenwerking. Om kwaliteit te waarborgen, moeten architecten hun positie herijken en structureel betrokken raken bij de ontwikkeling van woningconcepten. Dat geldt zowel inhoudelijk, juridisch als contractueel.


Francesco Veenstra

Rijksbouwmeester


De uitdagingen zijn zeker groot, want de Nederlandse bouwsector is aan het veramerikaniseren met decorbouw. Ik vind dat niet passen bij de Nederlandse bouwtraditie, waarin woonkwaliteit altijd voorop staat. Ontwerpers zouden vaste ketenpartners kunnen worden. Dat woningconcepten ‘naar een ontwerp van…’ zijn ontworpen. Dat zou te gek zijn. Vergelijk het met de H&M. Die hebben geregeld collabs met topontwerpers. Je behoudt je propositie, maar de kwaliteit stijgt. Als conceptaanbieder heb je dan een USP richting opdrachtgevers.


Conceptaanbieders zijn vaak bouwkundigen. Als niemand toezicht houdt op ruimtelijke kwaliteit, hoe ontstaat dan verbinding tussen de verschillende voordeuren? Dan zullen bij het maken van keuzes andere belangen bovenliggend zijn, zoals veiligheid bij de constructeur, gezondheid bij de installateur en materialisatie bij toeleveranciers. Het aspect ruimtelijke kwaliteit komt onder druk te staan als je enkel naar technische oplossingen kijkt.


Wij zien met de komst van parametrische modellen dat ontwerpen steeds makkelijker aangepast kunnen worden. Maar hoe goed zo’n model ook is, laten we de woningbouwopgave alsjeblieft als een maatschappelijk vraagstuk benaderen. Als een gesamtkunstwerk.


“Ontwerpers als vaste ketenpartners van woningconcepten. Dat zou te gek zijn”


Maartje Luisman

Stedenbouwkundige en partner bij SVP Architectuur en Stedenbouw


Conceptueel bouwen heeft zijn voordelen, maar laten we niet doen alsof het de heilige graal is. Veel conceptwoningen zijn van binnenuit bedacht: handig voor de bouwer, beperkend voor het totaalplan. Daarmee zijn we vierkante blokjes door ronde gaten aan het duwen. Als stedenbouwkundigen raken we langzaam het gereedschap kwijt om goede, gevarieerde buurten te ontwerpen. Een hoekwoning, overgangen tussen verschillende woningen – dat zit niet in het standaardpakket van conceptaanbieders.


De opgave gaat over meer dan rijtjeshuizen. Woonvormen voor starters, ouderen, een- en tweepersoonshuishoudens of meerdere generaties, vragen om andere bouwstenen. Architecten kunnen hierin veel betekenen, mits ze serieus worden genomen als onafhankelijke partner. Niet als verlengstuk van de bouwer, maar als hoeder van ruimtelijke kwaliteit.


We moeten realistische plannen maken, met oog voor de plek en de mens. Geen spreadsheet-stedenbouw waarin zachte waarden als leefbaarheid, sociale cohesie of ecologie worden weggemoffeld. Conceptueel bouwen is een middel, geen doel. Wanneer past het, wanneer niet? Bij dat gesprek mag kwaliteit nooit een vies woord zijn.


“We zijn vierkante blokjes door ronde gaten aan het duwen”


Frits Palmboom

Oprichter Palmbout Urban Landscapes, adviseur NH Bouwstroom


Als ontwerper denk ik dat seriematig denken en ruimtelijke kwaliteit best met elkaar te verenigen zijn. Maar in de praktijk van het conceptuele bouwen voeren ondoordachte standaardisatie en softwarematige beperkingen nog te veel de boventoon. De vrachtwagen als maatvoering voor de woning? Dat is geen toekomstvisie. We bouwen geen verplaatsbare dozen maar omgevingen waarin mensen leven, werken en elkaar ontmoeten. Daarom mijn pleidooi om niet alleen te letten op kwantiteit, kosten en snelheid, maar ook op prestatie-eisen. Daag bouwers en ontwerpers uit om kwaliteit op locatie te leveren.


Het idee van conceptueel bouwen werkt alleen als de ‘bouwsystemen’ voldoende souplesse hebben. Niet alleen dwingende kaders waar je als architect alleen nog maar een geveltje overheen mag draperen. Juist in de voorfase moet de architect aan tafel zitten. Niet als decorateur, maar als regisseur van ruimtelijke kwaliteit. Maatwerk op locatie is en blijft het uiteindelijke doel. Conceptaanbieders die daar de instrumenten voor bieden, hebben goud in handen.


We moeten af van het consumentisme, waarbij iedere bewoner als individuele klant wordt gezien. Steden zijn geen optelsom van dozen met mensen. Ze zijn een geheel, een weefsel. De architect is getraind om alle belangen in de samenleving te verbinden in een gedragen ontwerp. Houd ruimte voor onzekerheid en improvisatie; 100% rationalisering en digitalisering is een illusie!


“Steden zijn geen optelsom van dozen met mensen. Ze zijn een geheel, een weefsel”


Dit is een bijdrage uit het NCB Magazine. Wilt u het volledige magazine ontvangen? Mail naar info@netwerkconceptueelbouwen.nl




Opmerkingen


bottom of page